Warm en koud zijn vergelijkingswoorden, net als groot en klein. Soep is warm vergeleken met je hand; ijs is koud vergeleken met je hand. Daartussen ligt een hele ladder van woorden: ijskoud, koud, koel, lauw, warm, heet, gloeiend.
Voorbeelden
Voorbeeld 2.2 (Drie drankjes op volgorde)
Op tafel staan: een warme chocolademelk, een glas kraanwater en een glas sinaasappelsap zo uit de koelkast. Van koudst naar warmst: het sap, dan het kraanwater, dan de chocolademelk. Het kraanwater is koud naast de chocolademelk maar warm naast het sap — vergelijkingswoorden werken altijd in paren.