Wind is lucht die beweegt. Stilstaande lucht strijkt langs niemand; bewegende lucht duwt tegen alles wat in de weg staat — zachtjes op een winderige dag, en in een storm hard genoeg om bomen te buigen.
Voorbeelden
Voorbeeld 10.8 (Lucht aan het werk)
Bewegende lucht doet echt werk: ze vult de zeilen van boten, laat windmolentjes draaien, droogt de was en draagt vliegers. Je maakt zelf wind elke keer dat je een verjaardagskaarsje uitblaast — je adem is een kleine eigen windvlaag, sterk genoeg om de vlam van de pit te duwen.
Voorbeeld 10.9 (Probeer het: de ballonstraal)
Blaas een ballon op en houd de hals dicht. Binnenin zit samengeperste lucht te wachten. Laat los: de lucht stuift naar achteren naar buiten, en de ballon schiet wild slingerend vooruit door de kamer. De ontsnappende lucht duwt de ballon — een klein neefje van de manier waarop samengeperst gas echte raketten voortduwt.