Een gen is één bepaler, nauwkeurig gemaakt: een stuk van een chromosoom dat de instructies draagt voor het aandeel van één kenmerk in de opbouw — één gen voor het bloedgroepenapparaat, andere voor de kleurstoffen van de ogen, duizenden en duizenden langs de 46 draden, elk op zijn vaste adres. Een gen kan in verschillende uitvoeringen bestaan — allelen: de uitvoeringen A, B en O van het bloedgroepgen, bruin en blauw van het oogkleurgen. Zelfde adres, andere spelling.
Voorbeelden
Voorbeeld 65.3 (Bloedgroepen, volledig gemechaniseerd)
Eén gen, drie allelen, twee exemplaren per persoon: A met A of met O toont groep A; B met B of met O toont B; A met B toont AB (beide komen tot uiting — allelen zijn niet altijd tot zwijgen te brengen); O met O toont O. Het hele patroon van het donorregister — elke “verrassing” inbegrepen — is de rekenkunde van uitdelingen met twee exemplaren.