De natuur is de wereld van de levende wezens en hun omgeving: weiden, bossen, vijvers, zeeën — en de lucht, het water en de bodem waarvan ze afhangen. De omgeving waarvan een levend wezen afhangt heet zijn leefomgeving.
Voorbeelden
Voorbeeld 13.2 (Alles is het huis van iemand)
Een rottende boomstam in het bos lijkt afval — het is een paleis: kevers onder de bast, pissebedden eronder, mos erbovenop, een egel die in de holte overwintert. Trap hem voor de lol uit elkaar en vier huishoudens raken hun huis kwijt. In de natuur is bijna alles het huis, het voedsel of de schuilplaats van iemand.
Voorbeeld 13.5 (De flesdop)
Een gevallen plastic dop stelt voor ons niets voor en blijft heel, heel veel jaren in de wei liggen — lang genoeg voor volwassenen om kinderen te krijgen die dezelfde dop vinden. De natuur heeft geen vuilniswagen: wat we achterlaten, blijft.