Een levend wezen is iets dat leeft: het wordt geboren, het eet, het groeit, het kan jongen krijgen, en op een dag gaat het dood. Dieren en planten zijn levende wezens. De biologie is de wetenschap die ze bestudeert.
Voorbeelden
Voorbeeld 1.2 (De slak en de kiezel)
De slak is geboren uit een piepklein eitje. Hij eet slablaadjes. Hij groeit — zijn huisje groeit met hem mee. Er kunnen babyslakjes komen. Dus is de slak een levend wezen. De kiezel eet niets, groeit helemaal niet en krijgt nooit babykiezels: de kiezel leeft niet.
Voorbeeld 1.6 (De houten tafel)
Een houten tafel eet niet en groeit niet: hij leeft niet. Maar zijn hout heeft ooit wel geleefd: het komt van een boom die uit een zaadje geboren is, jarenlang gegroeid is en omgehakt werd. De tafel is niet-levend — en hij komt van een levend wezen.