Een voorwerp is een ding dat we kunnen zien en aanraken, en dat we vaak kunnen vasthouden en gebruiken: een lepel, een stoel, een bal, een raam, een schoen.
Voorbeelden
Voorbeeld 1.3 (Eén voorwerp, drie materialen)
Drie lepels liggen naast elkaar. Ze hebben dezelfde vorm en doen hetzelfde werk, dus zijn het dezelfde soort voorwerpen. Maar de ene is van hout, de andere van metaal en de derde van plastic: drie verschillende materialen.
Voorbeeld 1.4 (Eén materiaal, veel voorwerpen)
Hout is het materiaal van een potlood, een stoel, een deur, een speelgoedtrein en een houten lepel. Veel verschillende voorwerpen kunnen van hetzelfde materiaal gemaakt zijn.
Voorbeeld 1.11 (Aangetrokken door een magneet)
Een magneet trekt een stalen paperclip, een stalen spijker of een ijzeren sleutel naar zich toe. Hout, glas, plastic, papier, textiel en steen trekt hij niet aan. En, gek genoeg, ook niet elk metaal: een blikje van aluminium en een koperdraad blijven gewoon liggen. Een magneet trekt voorwerpen van ijzer aan, en van staal, dat vooral uit ijzer bestaat.