Een lichtbron is iets dat zijn eigen licht maakt: de Zon, een lamp, een kaarsvlam, een glimworm. Al het andere — een boek, een bal, de muren, jij — maakt geen eigen licht: we zien die dingen alleen als er licht van een bron op valt.
Voorbeelden
Voorbeeld 3.2 (Bron of geen bron?)
De Zon, een zaklamp, een brandende lucifer en een televisiescherm maken allemaal licht: bronnen. De Maan, een spiegel en een witte muur kunnen er heel helder uitzien, maar ze maken geen eigen licht — ze sturen alleen licht terug dat hen bereikt. Doe de lamp uit, en de helderste spiegel wordt donker.
Voorbeeld 3.3 (Probeer het: de donkere kamer)
Sluit ’s avonds de luiken of de gordijnen van een kamer, doe alle lampen uit en wacht terwijl je rustig tot telt. Wat zie je? Eerst bijna niets — zonder bron is er geen licht om bij te zien. Zet dan de deur op een kier: één dun reepje licht is genoeg om tafels, stoelen en speelgoed terug te brengen.
Voorbeeld 3.7 (Probeer het: schaduwdieren)
Houd bij de lamp van Methode 3.6 je handen in het licht in plaats van speelgoed: twee vingers omhoog worden konijnenoren, twee gekruiste duimen worden een vliegende vogel. De muur laat de vorm zien die je handen uit het licht knippen — een schaduw houdt altijd de vorm van wat hem tegenhoudt, gezien vanaf de lamp.