Een dier is een levend wezen dat zich voedt door andere levende wezens te eten — planten of andere dieren — en dat zich meestal zelf kan verplaatsen. Een kat, een merel, een vis en een mier zijn allemaal dieren. Wij zijn ook dieren.
Voorbeelden
Voorbeeld 2.2 (De dieren van één tuin)
In één kleine tuin kunnen heel wat dieren wonen: een merel die een worm uit de grond trekt, de worm zelf, een slak op een blad, een spin in haar web, een bij in een bloem, en de kat van de buren. Groot of piepklein, ze eten allemaal en ze bewegen allemaal.
Voorbeeld 2.7 (Wie draagt wat)
Aai een kat: vacht. Raap een gevallen merelveer op: licht en zacht. Kijk goed naar een vis op de markt: rijen glanzende schubben, als kleine dakpannen. Drie dieren, drie verschillende jassen.