Biology · Boek 1 · Grades 1–9

Biologie basisschool en onderbouw

Biologie basisschool en onderbouw · Grades 1–9

2Dieren om ons heen

Een merel huppelt over het gazon, een kat kijkt vanaf de muur toe, een mier sleept een kruimel groter dan zichzelf over de drempel. Dieren zijn overal om ons heen — in de tuin, in het park, in huis. Laten we leren naar ze te kijken zoals een bioloog dat doet: naar hun lichaam, en naar de manier waarop ze bewegen.

2.1 Wat is een dier?

Definitie 2.1 (Dier)

Een dier is een levend wezen dat zich voedt door andere levende wezens te eten — planten of andere dieren — en dat zich meestal zelf kan verplaatsen. Een kat, een merel, een vis en een mier zijn allemaal dieren. Wij zijn ook dieren.

Voorbeeld 2.2 (De dieren van één tuin)

In één kleine tuin kunnen heel wat dieren wonen: een merel die een worm uit de grond trekt, de worm zelf, een slak op een blad, een spin in haar web, een bij in een bloem, en de kat van de buren. Groot of piepklein, ze eten allemaal en ze bewegen allemaal.

De tuin aan het werk: een merel die zijn ontbijt uit het gazon trekt.
De tuin aan het werk: een merel die zijn ontbijt uit het gazon trekt.

Opmerking 2.3 (Klein betekent niet onbelangrijk)

Een mier is net zo goed een dier als een olifant. De grootte van het lichaam beslist niet wie een dier is: eten en bewegen doen dat. Een paar van de wonderlijkste dieren om ons heen zijn juist de allerkleinste.

2.2 De delen van het lichaam van een dier

Definitie 2.4 (Lichaamsdelen)

De meeste dieren hebben een kop (met de bek en de meeste zintuigen), een romp, en ledematen — poten, vleugels of vinnen — waarmee ze bewegen. Veel dieren hebben ook een staart.

De lichaamsdelen van een kat: kop, romp, vier poten, staart.
De lichaamsdelen van een kat: kop, romp, vier poten, staart.

Voorbeeld 2.5 (Tel de poten)

Poten komen in aantallen die het tellen waard zijn. De merel loopt op 22 poten, de kat op 44, het lieveheersbeestje op 66, de spin op 88 — en de regenworm en de slak hebben helemaal geen poten, en toch komen ze waar ze wezen willen.

Definitie 2.6 (Lichaamsbedekking)

Het lichaam van een dier wordt beschermd door een bedekking: vacht (haren) bij de kat, veren bij de merel, schubben bij de vis, een schelp bij de slak, en een gladde natte huid bij de kikker.

Voorbeeld 2.7 (Wie draagt wat)

Aai een kat: vacht. Raap een gevallen merelveer op: licht en zacht. Kijk goed naar een vis op de markt: rijen glanzende schubben, als kleine dakpannen. Drie dieren, drie verschillende jassen.

2.3 Hoe dieren bewegen

Propositie 2.8 (Manieren van bewegen)

Dieren bewegen op manieren die bij hun ledematen passen:

  • dieren met poten lopen, rennen, huppelen of kruipen — de kat, de merel op het gazon, de mier;
  • dieren met vleugels vliegen — de merel, de bij, de vlinder;
  • dieren met vinnen zwemmen — de vis;
  • dieren zonder ledematen glijden of kronkelen — de slak op zijn ene zachte voet, de regenworm die zich rekt en inkort.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Ledematen en beweging horen bij elkaar — en de merel staat er twee keer bij: poten voor het gazon, vleugels voor de lucht.
Ledematen en beweging horen bij elkaar — en de merel staat er twee keer bij: poten voor het gazon, vleugels voor de lucht.

Opmerking 2.9 (Eén dier, meerdere manieren)

Veel dieren hebben meer dan één manier van bewegen. De merel loopt en vliegt; de kikker zwemt en springt; de eend loopt, zwemt en vliegt. Kijk een tijdje naar een dier voordat je beslist hoe het beweegt.

Methode 2.10 (Een dier waarnemen)

Om een dier te beschrijven zoals een bioloog:

  1. kijk naar de delen: kop, romp, ledematen, staart;
  2. tel de poten, zonder te gokken;
  3. noem de bedekking: vacht, veren, schubben, schelp, huid;
  4. kijk hoe het beweegt: lopen, huppelen, vliegen, zwemmen, glijden;
  5. zeg waar je het gevonden hebt: gazon, boom, vijver, onder een steen.

Doe het dier nooit pijn: kijk, en laat het daarna weer zijn gang gaan.

2.4 Oefeningen

Oefening 2.1

Noem de vier hoofddelen van het lichaam van de kat in de figuur. Welk deel draagt de ogen en de bek?

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.1.

Kop, romp, poten (ledematen), staart. De kop draagt de ogen en de bek.

Oefening 2.2

Hoeveel poten: (a) een kip? (b) een hond? (c) een lieveheersbeestje? (d) een spin? (e) een regenworm?

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.2.

(a) 22; (b) 44; (c) 66; (d) 88; (e) geen enkele — de regenworm heeft helemaal geen poten.

Oefening 2.3

Geef de bedekking van elk dier: een schaap, een eend, een forel, een slak.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.3.

Het schaap: wol, dat is dikke vacht. De eend: veren. De forel: schubben. De slak: een schelp (over een zacht, vochtig lichaam).

Oefening 2.4

Welke dieren uit dit hoofdstuk kunnen vliegen? Wat hebben ze allemaal, in plaats van voorpoten of armen?

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.4.

De merel, de bij en de vlinder. Ze hebben allemaal vleugels.

Oefening 2.5

De slak en de regenworm hebben geen poten. Hoe beweegt elk van beide zich?

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.5.

De slak glijdt langzaam op zijn ene zachte voet en laat een spoor van slijm achter. De regenworm kronkelt: hij rekt zich lang en dun uit, trekt zich dan weer kort samen, en schuift zo beetje bij beetje vooruit.

Oefening 2.6

Een eend kan op drie manieren bewegen. Noem ze, en zeg welk deel van haar lichaam ze voor elke manier gebruikt.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.6.

Ze loopt op haar poten, ze zwemt met haar zwemvliezen (weer haar poten, met tenen die door huid verbonden zijn), en ze vliegt met haar vleugels.

Oefening 2.7

Waarom is een mier een dier, volgens Definitie 2.1? Antwoord met de twee ideeën van de definitie.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.7.

De mier voedt zich door andere levende wezens te eten (kruimels voedsel, zaden, kleine diertjes), en ze verplaatst zich zelf op haar zes poten. Eten en bewegen: beide delen van de definitie kloppen.

Oefening 2.8

Probeer het: kijk buiten een tijdje naar één dier — een vogel, een insect, een slak. Beschrijf het met de vijf stappen van Methode 2.10.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.8.

Open antwoord. Een goede beschrijving noemt de delen die je ziet, geeft een echt aantal poten, de bedekking, de manier van bewegen en de plaats — bijvoorbeeld: “een slak op de muur: kop met twee voelsprieten, zacht lichaam, geen poten, een bruine schelp, hij glijdt; gevonden na de regen.”

Oefening 2.9 ★★

Een vriend zegt: “Vissen kunnen geen dieren zijn — ze lopen niet!” Wat zou jij antwoorden? Gebruik Propositie 2.8.

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.9.

Lopen is maar één manier van bewegen. Vissen hebben vinnen en zwemmen — dat is hun manier. Een dier moet eten en bewegen, niet lopen: de vis doet allebei, dus is hij een dier.

Oefening 2.10 ★★

Raadseldier: het heeft 22 poten, 22 vleugels en veren, en het kan niet vliegen, maar het rent heel hard. Is het een vogel? Zou het de snelste renner van jouw buurt kunnen zijn? (Denk aan een struisvogel.)

Oplossing

Oplossing van Oefening 2.10.

Ja, het is een vogel: veren en vleugels verraden het, ook zonder vliegen. De struisvogel kan niet vliegen maar rent harder dan welk mens ook — vogel zijn gaat over het lichaam, niet over het vliegen.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 479 begrippen in de begrippenlijst