Een fagocyt bindt zijn prooi via receptoren voor opsoninen — C3b en de constante gebieden van antilichamen — of rechtstreeks via patroonreceptoren, wikkelt haar in membraan, en sluit het fagosoom, dat met granules en lysosomen versmelt. Het doden gebeurt op verscheidene manieren tegelijk. De ademhalingsuitbarsting: het enzym NADPH-oxidase, op het fagosoommembraan samengesteld, pompt elektronen op zuurstof en maakt zo superoxide, dat waterstofperoxide wordt, dat het myeloperoxidase met chloride in hypochloriet omzet — bleekmiddel, in millimolaire concentratie binnen een compartiment van een micrometer. Verder stikstofmonoxide van het induceerbare NO-synthase, dat met superoxide peroxynitriet geeft. Zuur, tot pH 5. Lysozym, proteasen, lactoferrine dat de prooi van ijzer berooft, en defensines die haar doorboren. Een neutrofiel die niet kan opeten wat hij vindt — een schimmeldraad, een klont — kan zijn eigen chromatine als een kleverig net van DNA en granule-eiwitten uitwerpen, een extracellulair net van neutrofielen, en daarbij sterven. Kinderen die een gebrekkig NADPH-oxidase erven (chronische granulomateuze ziekte) krijgen telkens terugkerende abcessen en granulomen door bacteriën en schimmels die gewone fagocyten moeiteloos doden: de uitbarsting is niet vrijblijvend.
Biologie · Begrippenlijst