Bij dieren zijn er om jongen te maken meestal twee ouders nodig: een vrouwtje en een mannetje. Het vrouwtje maakt eicellen; het mannetje maakt zaadcellen. Een jong dier begint wanneer één zaadcel zich met één eicel verenigt — dat samengaan heet bevruchting. Voortplanting met twee ouders heet geslachtelijke voortplanting.
Voorbeelden
Voorbeeld 23.2 (Waarom de kikkers zingen)
Het koor van mei zijn de mannetjes die de vrouwtjes naar de vijver roepen. Elk paar laat daarna zijn cellen in het water los — de eitjes van het vrouwtje, het zaad van het mannetje — en daar vindt de bevruchting plaats. De zwarte stipjes in de gelei zijn een paar dagen later de jongen die al groeien: het gezang was stap één van de kikkercyclus uit Hoofdstuk 8.