Een zaad is het begin van een nieuwe plant, gemaakt door de moederplant. Binnen zijn beschermende schil bevat een zaad:
Voorbeelden
Voorbeeld 9.2 (Een geweekte boon openen)
Week een grote witte boon een nacht, en zijn schil glijdt er gemakkelijk af. De boon valt uiteen in twee dikke helften — de voedselvoorraad — en daar, tegen één rand aan genesteld, ligt een piepklein bleek plantje, worteltip en opgevouwen eerste blaadjes, zo klein als een rijstkorrel. Het nieuwe plantje zat er al die tijd al.
Voorbeeld 9.6 (Waarom je pas in de lente zaait)
Tuinders zaaien bonen in de lente, niet in de winter: het zaad zou in koude aarde blijven wachten — of rotten — in plaats van ontkiemen. Warme dagen en vochtige aarde zijn precies de twee seinen uit Propositie 9.5.
Voorbeeld 9.10 (Eén boon, één zomer)
In mei gezaaid, ontkiemt een boon binnen een week; in juni is het een bladerrijke plant die tegen haar stok op klimt; in juli komen er witte bloemen, dan groene peulen; in augustus hangen de peulen zwaar, elk met een rij nieuwe bonen — de zaden van volgend jaar, gemaakt door de plant van dit jaar.