Biologie basisschool en onderbouw · Grades 1–9
1Levend of niet-levend?
Een slak glijdt langzaam over het natte pad. Naast hem ligt een grijze kiezelsteen, even klein, even rond. De slak en de kiezel zitten in dezelfde regen — en toch leeft de een en de ander niet. Hoe weten we dat? Dat is de allereerste vraag van de biologie, de wetenschap van de levende wezens.
1.1 Wat levende wezens doen
Definitie 1.1 (Levend wezen)
Een levend wezen is iets dat leeft: het wordt geboren, het eet, het groeit, het kan jongen krijgen, en op een dag gaat het dood. Dieren en planten zijn levende wezens. De biologie is de wetenschap die ze bestudeert.
Voorbeeld 1.2 (De slak en de kiezel)
De slak is geboren uit een piepklein eitje. Hij eet slablaadjes. Hij groeit — zijn huisje groeit met hem mee. Er kunnen babyslakjes komen. Dus is de slak een levend wezen. De kiezel eet niets, groeit helemaal niet en krijgt nooit babykiezels: de kiezel leeft niet.
Propositie 1.3 (De kenmerken van leven)
Een levend wezen vertoont deze kenmerken:
- het wordt geboren;
- het eet — het neemt voedsel op of maakt zijn eigen voedsel, zoals planten doen met licht;
- het groeit;
- het kan jongen krijgen — nieuwe levende wezens zoals het zelf;
- het gaat dood op een dag.
Iets dat geen van deze kenmerken vertoont, leeft niet.
Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen. ∎
Opmerking 1.4 (Elk kenmerk telt)
Eén kenmerk alleen is niet genoeg. Een auto “drinkt” brandstof, en een ijspegel groeit langer in de kou — maar de auto is gebouwd, niet geboren, en de ijspegel krijgt geen babyijspegels. Om te leven moet een ding de kenmerken van leven samen vertonen: geboren worden, eten, groeien, nieuwe levende wezens maken, doodgaan.
1.2 Levend, niet-levend, nooit geleefd
Definitie 1.5 (Niet-levend ding)
Een niet-levend ding is iets dat niet leeft. Er zijn twee soorten:
- dingen die nooit geleefd hebben: een kiezel, water, de wind, een fiets;
- dingen die niet meer leven of die afkomstig zijn van levende wezens: een dood blad op de grond, een houten tafel, een wollen trui.
Voorbeeld 1.6 (De houten tafel)
Een houten tafel eet niet en groeit niet: hij leeft niet. Maar zijn hout heeft ooit wel geleefd: het komt van een boom die uit een zaadje geboren is, jarenlang gegroeid is en omgehakt werd. De tafel is niet-levend — en hij komt van een levend wezen.
Voorbeeld 1.7 (En een robot dan?)
Een speelgoedrobot beweegt, maakt geluid, en zijn lampje knippert als een klein oog. Leeft hij? Loop de kenmerken na: hij is in een fabriek gebouwd, niet geboren; zijn batterij is geen voedsel waarvan hij groeit; hij zal nooit babyrobots krijgen. De robot beweegt, maar leeft niet.
Methode 1.8 (Hoe beslis je: levend of niet?)
Stel de vragen van het leven, een voor een:
- Is het geboren? Eet het? Groeit het?
- Kunnen er jongen van komen? Gaat het op een dag dood?
- Als de antwoorden ja zijn: het leeft.
- Als de antwoorden nee zijn, stel dan nog één vraag: komt het van iets levends, zoals hout van een boom?
Opmerking 1.9 (Zaden lijken te slapen)
Een droge boon in een zakje lijkt net zo stil als een kiezel. Maar leg hem op natte watten, en na een paar dagen komt er een worteltje uit: het zaad leefde al die tijd, wachtend. Trage, stille levende wezens worden gemakkelijk voor niet-levende aangezien — de vragen van het leven helpen ons beter te kijken.
1.3 Oefeningen
Oefening 1.1 ★
Noem de vijf kenmerken van leven. Welke daarvan kun je een katje vandaag zien doen?
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.1.
Geboren worden, eten, groeien, jongen kunnen krijgen, doodgaan. Vandaag kun je een katje zien eten (melk drinken, happen) en zien groeien — het wordt week na week groter.
Oefening 1.2 ★
Levend of niet-levend? (a) een vlinder; (b) een fiets; (c) een madeliefje; (d) een wolk.
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.2.
(a) Leeft — hij is uit een ei gekropen, hij eet nectar, en er kunnen babyrupsjes komen. (b) Leeft niet — in een fabriek gebouwd, eet nooit en groeit nooit. (c) Leeft — het is uit een zaadje gegroeid. (d) Leeft niet — een wolk groeit en krimpt, maar ze is nooit geboren, ze eet niet en ze krijgt geen jongen.
Oefening 1.3 ★
Een dood blad ligt op het pad. Leeft het nu? Heeft het ooit geleefd? Waar komt het vandaan?
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.3.
Nu leeft het niet meer. Het heeft wel geleefd: het groeide aan de boom en werd door de boom gevoed. Het komt van een levend wezen — de boom.
Oefening 1.4 ★
Tom zegt: “De rivier leeft — kijk, ze beweegt en ze maakt lawaai!” Gebruik de vragen van Methode 1.8 om hem vriendelijk te antwoorden.
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.4.
Stel de vragen van het leven samen: is de rivier geboren? Eet ze? Groeit ze? Kan ze babyrivieren krijgen? Nee — bewegen en lawaai maken zijn op zichzelf geen kenmerken van leven. De rivier leeft niet, ook al leven er heel veel levende wezens in.
Oefening 1.5 ★
Sorteer in de drie bakken van de figuur — leeft, heeft geleefd, nooit geleefd: een spin, een wollen sok, een regendruppel, een appel aan de boom, een gevallen dennenappel.
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.5.
Leeft: de spin, de appel aan de boom. Heeft geleefd (of komt van een levend wezen): de wollen sok (wol van een schaap), de gevallen dennenappel (hij groeide aan een den). Nooit geleefd: de regendruppel.
Oefening 1.6 ★
Een kaarsvlam “eet” de was, wordt groter en gaat dood als je hem uitblaast. Is de vlam een levend wezen? Welke vraag van het leven zegt nee?
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.6.
Nee. De vlam zakt voor de vragen van het leven: hij is aangestoken, niet geboren, en vooral: er zijn geen babyvlammen die opgroeien — een vlam kan wel naar een andere kaars overgezet worden, maar hij krijgt geen jongen zoals een slak of een madeliefje. (Het is een eerlijke vraag: de vlam doet twee kenmerken echt goed na!)
Oefening 1.7 ★
Noem twee dingen in je slaapkamer die van levende wezens komen, zoals de houten tafel van Voorbeeld 1.6. Zeg van welk levend wezen elk ding komt.
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.7.
Bijvoorbeeld: een houten stoel (van een boom), een katoenen T-shirt (van een katoenplant), een wollen deken (van een schaap), een leren schoen (van een koe), honing in de kast (van bijen).
Oefening 1.8 ★
Probeer het: leg een droge boon op natte watten bij een raam, en een kiezel op een ander stukje natte watten ernaast. Kijk elke dag, een week lang. Welke van de twee verandert? Wat laat dat zien?
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.8.
De boon verandert: hij zwelt op, dan komt er een klein wit worteltje uit, en daarna een groen scheutje. De kiezel blijft precies hetzelfde. Dat laat zien dat de boon leefde — een stil, wachtend levend wezen — en dat de kiezel niet leeft.
Oefening 1.9 ★★
Een speelgoedrobot en een slak schuiven allebei over de vloer. Geef twee vragen van het leven waarop hun antwoorden verschillen.
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.9.
Is het geboren? De slak is uit een ei gekropen; de robot is gebouwd. Kan het jongen krijgen? Er kunnen babyslakjes komen; babyrobots bestaan niet. (Eten werkt ook: van sla groeit de slak, van de batterij groeit de robot niet.)
Oefening 1.10 ★★
Paddenstoelen rennen niet zoals dieren en zijn niet groen zoals de meeste planten. Leg met de kenmerken van Propositie 1.3 uit waarom een paddenstoel toch een levend wezen is.
Oplossing
Oplossing van Oefening 1.10.
Een paddenstoel wordt geboren (hij verschijnt uit piepkleine begintjes in de grond), hij eet (hij haalt zijn voedsel uit de grond en uit dode bladeren), hij groeit — soms in één enkele nacht — hij maakt nieuwe paddenstoelen, en hij gaat dood. Alle kenmerken van leven zijn er: het is een levend wezen, ook zonder poten en zonder groene bladeren.