De meeste dieren hebben een kop (met de bek en de meeste zintuigen), een romp, en ledematen — poten, vleugels of vinnen — waarmee ze bewegen. Veel dieren hebben ook een staart.
Voorbeelden
Voorbeeld 2.5 (Tel de poten)
Poten komen in aantallen die het tellen waard zijn. De merel loopt op poten, de kat op , het lieveheersbeestje op , de spin op — en de regenworm en de slak hebben helemaal geen poten, en toch komen ze waar ze wezen willen.