Een niet-levend ding is iets dat niet leeft. Er zijn twee soorten:
- dingen die nooit geleefd hebben: een kiezel, water, de wind, een fiets;
- dingen die niet meer leven of die afkomstig zijn van levende wezens: een dood blad op de grond, een houten tafel, een wollen trui.
Voorbeelden
Voorbeeld 1.6 (De houten tafel)
Een houten tafel eet niet en groeit niet: hij leeft niet. Maar zijn hout heeft ooit wel geleefd: het komt van een boom die uit een zaadje geboren is, jarenlang gegroeid is en omgehakt werd. De tafel is niet-levend — en hij komt van een levend wezen.
Voorbeeld 1.7 (En een robot dan?)
Een speelgoedrobot beweegt, maakt geluid, en zijn lampje knippert als een klein oog. Leeft hij? Loop de kenmerken na: hij is in een fabriek gebouwd, niet geboren; zijn batterij is geen voedsel waarvan hij groeit; hij zal nooit babyrobots krijgen. De robot beweegt, maar leeft niet.