De omstandigheden van een omgeving zijn haar meetbare natuurkundige eigenschappen:
- de temperatuur, gemeten met een thermometer, in graden Celsius;
- de vochtigheid — hoe vochtig de lucht of de bodem is;
- het licht — van volle zon tot diepe schaduw.
Omstandigheden verschillen van plek tot plek — vaak scherp binnen een paar meter — en door de dag en het jaar heen.
Voorbeelden
Voorbeeld 37.5 (Het plein, gemeten)
De julimiddagopname, met instrumenten: voet van de zuidmuur — , droog, volle zon; noordhoek — , vochtige grond, diepe schaduw. Drie meter afstand, zestien graden verschil. De twee werelden uit de openingsalinea zijn nu twee rijen in een tabel — en dat is vooruitgang, want tabellen kun je vergelijken.
Voorbeeld 37.11 (De steen, boven en onder)
Eén steen in de koele hoek: bovenop korstmos en een zonnende vlieg — verlicht, droog, warm. Eronder pissebedden, een duizendpoot, bleke worteltjes — donker, vochtig, koel. Twee complete microhabitats, gescheiden door vijf centimeter steen, elk bewoond door precies die levende wezens bij wier bereik de omstandigheden passen.