Een omgeving — een plein, een bos, een vijveroever — bevat drie soorten bestanddelen:
- levende wezens: de dieren, planten, paddenstoelen en het microscopische leven dat er is;
- minerale materie, die nooit geleefd heeft: rots, steen, het minerale deel van de bodem, water, lucht;
- sporen en resten van levende wezens: dode bladeren, gevallen hout, uitwerpselen, veren, schelpen — de bak “heeft geleefd” uit Definitie 1.5, nu een aanwijzingenset voor de verkenner.
Voorbeelden
Voorbeeld 37.2 (Inventarisatie achter de noordmuur)
Tien minuten inventariseren in de koele hoek: levend — mos, varens, pissebedden, een slak, een duizendpoot, klimop; mineraal — de steen van de muur, vochtige grond, een plas; sporen — dode bladeren, een slakkenhuis, vogelpoep op de muurafdekking. Drie lijsten, en de hoek is beschreven als de locatie van een wetenschapper.
Voorbeeld 37.11 (De steen, boven en onder)
Eén steen in de koele hoek: bovenop korstmos en een zonnende vlieg — verlicht, droog, warm. Eronder pissebedden, een duizendpoot, bleke worteltjes — donker, vochtig, koel. Twee complete microhabitats, gescheiden door vijf centimeter steen, elk bewoond door precies die levende wezens bij wier bereik de omstandigheden passen.