Naar haar interflankhoek is een plooi een zachte plooi ( van tot ), een open plooi ( tot ), een strakke plooi ( tot ) of, wanneer haar flanken bijna evenwijdig zijn ( van tot ), een isoklinale plooi. Naar de helling van haar axiale vlak is een plooi een rechtopstaande plooi wanneer het axiale vlak meer dan helt, een liggende plooi wanneer het minder dan helt, en daartussen een schuine plooi. Een plooi waarvan één flank voorbij de verticale is gedraaid, zodat beide flanken in dezelfde richting helen en de lagen van die flank op de kop staan, is een overgekantelde plooi. Een plooi waarvan de scharnierlijn niet horizontaal is, is een dompelende plooi.