- de driehoek heeft zijden en hoeken;
- het vierkant heeft gelijke zijden en hoeken;
- de rechthoek heeft zijden en hoeken, waarbij de zijden die tegenover elkaar liggen gelijk zijn (een uitgerekt vierkant);
- de cirkel is helemaal rond: geen zijden, geen hoeken.
Voorbeelden
Voorbeeld 5.2 (Gekantelde vormen blijven vormen)
Een vierkant dat op zijn punt staat, blijft een vierkant — vier gelijke zijden, vier hoeken — ook al lijkt het op een vlieger. Een vorm draaien verandert niet wat het is.
Voorbeeld 5.3 (Vormenjacht)
In de klas: het bord is een rechthoek, de klok een cirkel, een gevouwen servet kan een driehoek zijn, sommige ramen zijn vierkanten. Echte voorwerpen zijn geen perfecte vormen, maar hun vlakken komen er dichtbij (lichamen en hun zijvlakken komen terug in Hoofdstuk 11).