De dag is het deel van het etmaal waarin de Zon aan onze hemel staat en ons licht geeft. De nacht is het deel waarin de Zon van onze hemel verdwenen is en de wereld om ons heen donker wordt. Het moment waarop de Zon verschijnt heet de zonsopgang; het moment waarop ze verdwijnt de zonsondergang.
Voorbeelden
Voorbeeld 4.4 (Het ritme herhaalt zich)
Ochtend, middag, avond, nacht — en dan weer ochtend. Het ritme heeft nog nooit een beurt overgeslagen: na elke nacht een dag, na elke dag een nacht. Eén hele omwenteling van dit wiel, één dag en één nacht samen, is wat de kalender telt: maandag, dinsdag, woensdag, elk is één slag van het wiel.
Voorbeeld 4.5 (De draaiende Aarde)
De Aarde — de enorme bal waar we allemaal op wonen — draait langzaam rond, als een draaimolen, en wij draaien mee. Als onze kant van de bal naar de Zon toe gekeerd is, is het bij ons dag. Terwijl de Aarde doordraait, glijdt onze kant uit het zonlicht het donker in: de avond komt, dan de nacht. Blijf draaien, en onze kant zwaait terug in het licht: zonsopgang! De Zon lijkt alleen maar over onze hemel te reizen — de echte reiziger is de grond onder onze voeten.