Energie — in elke vorm — wordt gemeten in joule (J), ter ere van de experimentator die bewees dat warmte zelf een vorm van energie is. Ankers: dit boek van de vloer op de plank tillen kost een paar joule; een kloppend hart ongeveer één joule per slag; een reep chocolade slaat een miljoen joule voedselenergie op.
Voorbeelden
Voorbeeld 66.3 (Eerste berekeningen)
Een voetbal van 0.45kg op 20m/s: Ek=0.5×0.45×202=90J. Een sprinter van 60kg op 10m/s: 0.5×60×100=3000J. Een auto van 1000kg op 50km/h — eerst omrekenen: 50÷3.6≈13.9m/s — Ek=0.5×1000×13.92≈9.7×104J: bijna honderdduizend joule. Dezelfde auto op 100km/h: vier keer zoveel — 3.9×105J. De waarschuwing van de formule, in getallen.