Warmte is energie die onderweg is van een heter ding naar een kouder. De soep geeft warmte door aan de lepel, de radiator aan de kamer, je hand aan een sneeuwbal. Warmte is geen stof die zich in hete dingen verstopt — het is een stroom, en ze heeft altijd een richting.
Voorbeelden
Voorbeeld 34.3 (De richting aflezen)
Het theelepeltje in de thee wordt heet: er stroomde warmte van thee lepel. De limonade met ijs wordt koud — pas op! Er stroomde niets naar binnen dat “kou” heet: er stroomde warmte uit de limonade het ijs in, waardoor dat smolt. Kou is geen stroom; het is alleen de naam die we de verliezende kant geven. Natuurkundeboeken zeggen allemaal “het drankje verliest warmte”, nooit “het drankje wint kou”.
Voorbeeld 34.5 (Het glijbaanraadsel, opgelost)
De metalen glijbaan en de houten bank brachten de nacht door op dezelfde kille temperatuur — de thermometer zwoer het lang geleden al. Raak ze aan: jouw hand is warmer dan allebei, dus stroomt er warmte van jou in elk van beide. Maar het metaal is een snelle rijstrook — het rukt jouw warmte in één ruk weg, en die ruk is wat “ijskoud” aanvoelt. Het hout neemt jouw warmte alleen in een straaltje aan: nauwelijks koel. Je huid mat nooit temperatuur — ze meet de snelheid van haar eigen warmteverlies. Zaak gesloten, na vier jaar.
Voorbeeld 34.9 (De thermoskan)
De thermoskan is het meesterwerk van de isolatie: een fles in een fles, met de lucht ertussen bijna helemaal weggepompt — en waar bijna geen stof is, vindt de stroom van warmte bijna geen rijstrook (een truc om te onthouden: dezelfde leegte die de bel onder de stolp het zwijgen oplegde). Voeg glanzende wanden toe om de gloed van de warmte terug naar binnen te kaatsen, en de warme chocolademelk haalt nog heet de middag — of de limonade nog koud: de thermoskan weet niets van heet of koud, ze sluit alleen de rijstroken, in beide richtingen.