Elke lamp, motor en elk apparaat draagt een nominale spanning — de duw waarvoor het gebouwd is, in de voet of op het plaatje gestempeld: een zaklamplampje “3,5 V”, een autokoplamp “12 V”, een waterkoker “230 V”. Op zijn nominale spanning presteert het apparaat zoals ontworpen; op veel minder mokt het — doffe lamp, luie motor; op veel meer brandt het door — schitterend, eenmalig.
Voorbeelden
Voorbeeld 56.7 (Lamp bij batterij zoeken)
Een “3,5 V”-lampje op de platte -batterij: licht overbelast — helder, en kortlevend. Op één -cel: een slaperige oranje gloed. Op de -batterij: één verblindend ogenblik, dan breekt de dunne draad — het overlijdensbericht van de gloeidraad. Het etiket is een contract: eer het, en de lamp leeft haar geadverteerde leven.