Elk punt van een kring heeft een elektrische potentiaal V (volt), op een constante na vastgelegd door een massa te kiezen (V=0). De spanning tussen A en B is het potentiaalverschil uAB=VA−VB, getekend als een pijl van B naar A. De energie die een lading q verliest op de weg van A naar B is quAB (dit sluit aan bij de elektrostatische potentiaal van Hoofdstuk 27).
Voorbeelden
Voorbeeld 6.20 (Drie wegen naar hetzelfde antwoord)
In de figuur is E1=10V, R1=1.0kΩ, E2=5.0V, R2=2.0kΩ, R3=2.0kΩ. Millman: VN=(10/1+5/2+0/2)/(1+0.5+0.5)=12.5/2=6.25V. Superpositie: E1 alleen ziet R2∥R3=1kΩ, dus u=10×1/2=5V; E2 alleen ziet R1∥R3=0.667kΩ, u=5×0.667/2.667=1.25V; samen 6.25V. Thévenin gezien vanaf R3: ETh is de nullastspanning van de deler (E1,R1,R2,E2): E2+(E1−E2)R2/(R1+R2)=5+5×2/3=8.33V; RTh=R1∥R2=0.667kΩ; dan is u=8.33×2/2.667=6.25V.