Erfelijkheid is het doorgeven van kenmerken van ouders aan nakomelingen via de voortplanting — via, zoals Hoofdstuk 54 liet zien, twee losse cellen. Kenmerken die langs die weg overgaan zijn erfelijk: oogkleur en bloedgroep wel; littekens en gaatjes in de oren niet, hoe lang ook gedragen. De sorteertoets zijn de geslachtscellen: wat twee cellen niet kunnen dragen, kan geen familie doorgeven.
Voorbeelden
Voorbeeld 63.3 (Een familiealbum sorteren)
De foto’s van opa: zijn karakteristieke neus — erfelijk, daar is hij weer, bij de tante en bij de neef; zijn verweerde boerenkleur — verworven, zijn kantoorwerkende kleinzoon mist hem; zijn lengte — deels allebei, want de kleinzoon steekt op hetzelfde postuur boven hem uit, gevoed door rijkere jaren (Propositie 18.1); zijn vioolspel — als vaardigheid niet erfelijk (Voorbeeld 60.6: synapsen worden getraind, niet doorgegeven), al vertelt de muzikale familie ons dat er iets subtielers meegaat in wat wordt doorgegeven: misschien aanleg, nooit de getrainde bedrading zelf.