Een transportblaasje wordt gevormd door een mantel van eiwitten die zich op de cytosolische kant van een membraan samenstelt, het membraan tot een knop van kromt, vracht verzamelt via receptoren die het membraan doorspannen, en wordt afgeworpen zodra het blaasje is afgesnoerd. Drie mantels bedienen de hoofdroutes: COPII voor blaasjes die het reticulum naar het golgiapparaat verlaten, COPI voor het verkeer terug van het golgiapparaat naar het reticulum en tussen de golgicisternen, en clathrine — een driebenig eiwit dat tot een kooi van zeshoeken en vijfhoeken polymeriseert — voor blaasjes die het trans-golginetwerk verlaten naar endosomen en voor de endocytose aan het plasmamembraan, waar adaptoreiwitten de kooi aan de receptoren koppelen die worden opgenomen. Elke mantel wordt aangetrokken door een klein GTPase (Sar1 voor COPII, Arf1 voor COPI en clathrine) dat zich in zijn GTP-vorm in het membraan steekt en de mantel laat afvallen zodra het na het knoppen GTP hydrolyseert. Terughaalsignalen houden de compartimenten gescheiden: ontsnapte reticulumeiwitten met KDEL worden in het golgiapparaat door een receptor gebonden en in COPI-blaasjes teruggebracht.