Dieren worden ingedeeld naar wat ze eten:
Voorbeelden
Voorbeeld 10.2 (Eén wei, drie menu’s)
In één zomerse wei: het konijn scheert het gras af (planteneter); de vos jaagt op het konijn (vleeseter); de merel pakt nu een worm, straks een kers (alleseter). Drie buren, drie menu’s — en let op: het avondeten van de vos at eerst gras.
Voorbeeld 10.5 (De tanden van de kat)
Kijk eens naar een geeuwende kat: lange puntige tanden in de voorste hoeken van haar bek. Dat zijn grijptanden — de uitrusting van een vleeseter. De koe zou er geeuwend geen enkele laten zien: haar bek zit vol brede, platte maalkiezen voor gras.
Voorbeeld 10.8 (De winter verandert het menu)
Voedsel verandert met de seizoenen. De merel eet in de zomer wormen en insecten, maar in de winter, als de grond hard is, stapt hij over op bessen. Het brede menu van een alleseter is een grote hulp als de tijden zwaar worden.