Biology · Boek 1 · Grades 1–9

Biologie basisschool en onderbouw

Biologie basisschool en onderbouw · Grades 1–9

10Wat dieren eten

Het konijn in de wei knabbelt de hele dag gras. De vos die bij schemering diezelfde wei oversteekt heeft geen enkele belangstelling voor gras — hij heeft belangstelling voor het konijn. En de merel pakt ’s ochtends wormen en ’s middags kersen. Elk dier moet eten, maar niet elk dier eet hetzelfde.

10.1 Drie soorten eters

Definitie 10.1 (Planteneter, vleeseter, alleseter)

Dieren worden ingedeeld naar wat ze eten:

  • een planteneter eet planten: gras, bladeren, zaden, vruchten — het konijn, de koe, de slak;
  • een vleeseter eet andere dieren: de vos, de kat, het lieveheersbeestje (dat op piepkleine bladluizen jaagt);
  • een alleseter eet zowel planten als dieren: de merel, het wilde zwijn — en de mens.

Voorbeeld 10.2 (Eén wei, drie menu’s)

In één zomerse wei: het konijn scheert het gras af (planteneter); de vos jaagt op het konijn (vleeseter); de merel pakt nu een worm, straks een kers (alleseter). Drie buren, drie menu’s — en let op: het avondeten van de vos at eerst gras.

Een planteneter aan het werk: het konijn en de wei, sprietje voor sprietje.
Een planteneter aan het werk: het konijn en de wei, sprietje voor sprietje.

Opmerking 10.3 (Vleeseters zijn geen schurken)

De vos is niet “gemeen” omdat hij konijnen eet: jagen is nu eenmaal de manier waarop een vleeseter zich voedt — net zo natuurlijk als het knabbelen van het konijn. In de natuur horen eten en gegeten worden bij hoe het leven werkt; een later hoofdstuk knoopt al deze maaltijden aan elkaar tot voedselketens.

10.2 Het menu van een dier aflezen aan zijn lichaam

Propositie 10.4 (Lichamen passen bij menu’s)

Het lichaam van een dier draagt aanwijzingen over zijn voedsel:

  • planteneters als het konijn en de koe hebben grote platte kiezen om planten mee te vermalen, en besteden lange uren aan het eten;
  • vleeseters als de kat en de vos hebben puntige tanden om prooi mee te grijpen, scherpe klauwen, en ogen die naar voren kijken om te jagen;
  • bij vogels zie je het aan de snavel: kort en dik om zaden te kraken (de mus), gekromd en gehaakt om vlees te scheuren (de arend), lang en dun om insecten uit de bast te pikken.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Drie snavels, drie menu’s: de snavel van de vogel is een gereedschap dat door zijn voedsel gevormd is.
korte dikke snavel: kraakt zaden
Drie snavels, drie menu’s: de snavel van de vogel is een gereedschap dat door zijn voedsel gevormd is.
gehaakte snavel: scheurt vlees
Drie snavels, drie menu’s: de snavel van de vogel is een gereedschap dat door zijn voedsel gevormd is.
lange dunne snavel: pikt insecten eruit
Drie snavels, drie menu’s: de snavel van de vogel is een gereedschap dat door zijn voedsel gevormd is.

Voorbeeld 10.5 (De tanden van de kat)

Kijk eens naar een geeuwende kat: lange puntige tanden in de voorste hoeken van haar bek. Dat zijn grijptanden — de uitrusting van een vleeseter. De koe zou er geeuwend geen enkele laten zien: haar bek zit vol brede, platte maalkiezen voor gras.

Methode 10.6 (Een menu raden)

Om te raden wat een onbekend dier eet:

  1. kijk naar de tanden of de snavel: platte maalkiezen, puntige grijpers, of allebei?
  2. kijk naar klauwen en ogen: jachtgereedschap, of niet?
  3. kijk het zo mogelijk zien eten — de zekerste aanwijzing van alle;
  4. noem het dan: planteneter, vleeseter of alleseter.

10.3 Genoeg eten, dag na dag

Propositie 10.7 (Eten is een dagelijkse taak)

Voedsel is de brandstof en het bouwmateriaal van het lichaam, dus dieren moeten steeds opnieuw eten, dag na dag. Hoeveel tijd dat kost, hangt van het menu af: gras geeft per hap weinig, dus graast de koe urenlang; vlees is rijk, dus eet de vos misschien één goede maaltijd en rust daarna uit.

Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen.

Voorbeeld 10.8 (De winter verandert het menu)

Voedsel verandert met de seizoenen. De merel eet in de zomer wormen en insecten, maar in de winter, als de grond hard is, stapt hij over op bessen. Het brede menu van een alleseter is een grote hulp als de tijden zwaar worden.

10.4 Oefeningen

Oefening 10.3

Welke tanden heeft een planteneter het hardst nodig: platte maalkiezen of puntige grijpers? Waarom?

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.3.

Platte maalkiezen — planten als gras zijn taai en moeten lang vermalen worden voor het slikken; er is geen prooi om te grijpen.

Oefening 10.4

Koppel elke snavel aan een menu: kort en dik; gekromd en gehaakt; lang en dun.

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.4.

Kort en dik: zaden kraken. Gekromd en gehaakt: vlees scheuren. Lang en dun: insecten uit bast en spleten pikken.

Oefening 10.5

Het lieveheersbeestje is klein en mooi — en een vleeseter. Waarop jaagt het?

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.5.

Piepkleine bladluizen — het lieveheersbeestje eet er enorme aantallen van, en daarom is het bij tuinders zo geliefd.

Oefening 10.6

Waarom besteedt de koe veel meer uren aan eten dan de vos? Gebruik Propositie 10.7.

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.6.

Gras geeft per hap weinig voeding, dus moet de koe urenlang grazen om genoeg binnen te krijgen; vlees is rijk, dus kan één goede maaltijd de vos een hele tijd op de been houden.

Oefening 10.7

Wat eet de merel in de zomer, en wat in de winter? Waarom is een breed menu nuttig?

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.7.

Wormen en insecten in de zomer; bessen in de winter, als de grond te hard is voor wormen. Een breed menu laat een alleseter van voedsel wisselen als het ene opraakt — een grote hulp in zware seizoenen.

Oefening 10.8

Probeer het: kijk naar vogels in een park of bij een voedertafel. Schrijf op wat elke soort pakt — zaden, brood, insecten, bessen — en kijk naar hun snavels. Klopt Propositie 10.4?

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.8.

Open antwoord. Meestal: mussen en vinken (korte dikke snavels) pakken zaden; mezen pikken insecten en zaden; merels prikken naar wormen en pakken bessen. Het verband tussen snavel en menu uit de propositie klopt goed.

Oefening 10.9 ★★

Een dierentuin krijgt een raadseldier: puntige voortanden, scherpe klauwen, ogen die naar voren kijken. Wat is zijn waarschijnlijke menu? Welke stappen van Methode 10.6 heb je gebruikt?

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.9.

Het menu van een vleeseter: andere dieren. Stap 1 en 2 — de tanden (puntige grijpers) en het jachtgereedschap (klauwen, ogen naar voren); stap 4 gaf de naam.

Oefening 10.10 ★★

“Zonder gras zouden er al snel geen vossen meer zijn.” De vos eet nooit gras — en toch klopt de zin. Leg uit, met de wei van Voorbeeld 10.2.

Oplossing

Oplossing van Oefening 10.10.

De vos eet konijnen, en konijnen eten gras. Geen gras, geen konijnen; geen konijnen, hongerige vossen. De vos hangt via zijn prooi van het gras af — maaltijden in de natuur vormen ketens.

Begrippen gedefinieerd in dit hoofdstuk

Bekijk alle 479 begrippen in de begrippenlijst