Een blaasje vindt zijn doelwit met twee lagen herkenning. De Rab-GTPasen — zo’n zestig in een menselijke cel, elk op de membranen van één compartiment — trekken lange touweiwitten aan die een binnenkomend blaasje met het bijbehorende Rab vangen. Daarna treden de SNAREs op: een v-SNARE op het blaasje en t-SNAREs op het doelwit, helicale eiwitten die in hun membranen zijn verankerd, winden zich vanaf hun verre uiteinden naar de membranen toe om elkaar, en de energie van de vierhelixbundel die zij vormen trekt de twee dubbellagen naar elkaar toe tot zij versmelten. Elke SNARE-paring is specifiek, een tweede controle op het adres. Na de fusie wordt de bundel door het ATPase NSF weer uiteengewrikt voor hergebruik. De fusie kan op een signaal worden laten wachten: in het zenuwuiteinde worden de SNAREs half geritst vastgehouden door complexine tot synaptotagmine, dat het calcium bindt dat binnenkomt wanneer een actiepotentiaal aankomt, het ritsen in minder dan een milliseconde voltooit — het vrijkomen van neurotransmitter dat in het boek van jaar 2 is behandeld. De neurotoxinen van tetanus en botulisme zijn proteasen die SNAREs knippen.
Biologie · Begrippenlijst