Een ding drijft als het water het bovenaan draagt; het zinkt als het naar de bodem gaat. Een kurk drijft; een kiezelsteen zinkt.
Voorbeelden
Voorbeeld 5.3 (Probeer het: het sorteerspel)
Verzamel een kurk, een muntje, een plastic lepel, een metalen lepel, een kiezelsteen, een potlood en een droog blaadje, en onderzoek ze één voor één met Methode 5.2. Drijvers: de kurk, de plastic lepel, het potlood, het blaadje. Zinkers: het muntje, de metalen lepel, de kiezelsteen. Zeg vóór elke proef je gok hardop — dat noemen wetenschappers een voorspelling, en je vergissen is het leukste deel.
Voorbeeld 5.4 (De boomstam en het muntje)
Een omgevallen boomstam is veel te zwaar om op te tillen — en toch drijft hij de rivier af. Een klein muntje weegt minder dan een koekje — en toch zinkt het meteen. Zwaar-of-licht kan dus niet de hele regel zijn: de reusachtige stam drijft terwijl het piepkleine muntje verdrinkt.
Voorbeeld 5.5 (Het gaat om het materiaal)
Kijk terug naar het sorteerspel: de plastic lepel dreef en de metalen lepel zonk, terwijl ze dezelfde vorm hebben en hetzelfde werk doen. Het verschil zit in het materiaal waarvan ze gemaakt zijn — hout, kurk en de meeste kunststoffen zijn drijvende materialen; metaal, steen en glas zijn zinkende materialen. Een ding gedraagt zich meestal zoals zijn materiaal: hout drijft, of het nu een takje is of een hele stam.