Een lengte meten is tellen hoe vaak een gekozen eenheid — een stap, een handspan, een stokje — erlangs past, kop aan staart, zonder gaten en zonder overlap. Het antwoord is een aantal eenheden: “de kamer is stappen lang.”
Voorbeelden
Voorbeeld 7.4 (Probeer het: stap de kamer af)
Steek je slaapkamer over met je hakken tegen je tenen en tel je voetlengtes. Vraag een volwassene hetzelfde te doen. Jij telt misschien voeten en de volwassene maar — voor dezelfde kamer! Niemand heeft verkeerd geteld: jouw voeten zijn korter, dus passen er meer. Een meting met mijn voet valt niet na te kijken met jouw voet.
Voorbeeld 7.8 (Welke eenheid voor welk werk?)
Kleine dingen als een kever, een postzegel of je hand meet je in centimeters. Grote dingen als een gang, een bus of een zwembad meet je in meters: het bad is lang — stel je voor dat je dat in nagelbreedtes moest tellen! Een verstandige eenheid kiezen is het halve werk van het meten.