Een veld kent aan elk punt van de ruimte een vector toe. Een bron (een lading, een massa) wekt haar veld overal om zich heen op, of er nu iets is dat het voelt of niet; een testvoorwerp voelt vervolgens een kracht die alleen door het veld op zijn eigen plaats wordt bepaald. Dat beeld in twee stappen vervangt de werking op afstand.
Voorbeelden
Voorbeeld 14.5 (Een veld aflezen)
Een testlading q=2.0×10−8C in M voelt een kracht van 6.0×10−4N naar het oosten. Het veld in M is E=6.0×10−4/2.0×10−8=3.0×104N/C, naar het oosten gericht; een lading q′=−1.0×10−8C in hetzelfde punt voelt F=1.0×10−8×3.0×104=3.0×10−4N — naar het westen.
Voorbeeld 14.7 (Een geladen bol)
Een vandegraaffbol draagt Q=5.0×10−7C (een kleine geladen bol werkt als een puntlading in haar middelpunt). Op d=0.50m:
E=8.99×109×5.0×10−7/0.502≈1.8×104N/C,
radiaal van de bol af gericht. Op 1.0m is het tot een kwart daarvan gezakt: de 1/d2 van de kracht leeft voort in het veld.
Voorbeeld 14.15 (Het veld waar de Maan leeft)
Op de afstand van de Maan, d=3.84×108m:
g=6.67×10−11×5.97×1024/(3.84×108)2≈2.7×10−3N/kg.
Het veld van de Aarde houdt nooit op — het wordt alleen ijler als 1/d2; dit is het veld dat de Maan in haar omloopbaan houdt.