Ademhalen is het eindeloze afwisselen van twee bewegingen:
- inademen (inhaleren): de borst zet uit en er stroomt lucht naar binnen door neus of mond;
- uitademen (exhaleren): de borst ontspant en de lucht stroomt weer naar buiten.
In rust herhaalt dat paar zich ongeveer keer per minuut — sneller bij baby’s, sneller bij inspanning — zonder dat je er ooit bij hoeft na te denken.
Voorbeelden
Voorbeeld 26.2 (De bewegingen bekijken)
Handen plat op je ribben: bij het inademen komt de ribbenkast onder je handpalmen omhoog en wordt hij breder; bij het uitademen zakt hij weer terug. De flank van een slapende kat laat hetzelfde stijgen en dalen zien. De bewegingen stoppen nooit — wakker, slapend, van de eerste kreet tot de laatste dag.
Voorbeeld 26.6 (Waarom je van rennen buiten adem raakt)
Als je sprint, verbranden je benen snel energie — dus hebben ze snel zuurstof nodig. De ademhaling doet mee: van ongeveer rustige teugen per minuut naar of meer, en diepe, terwijl het hart (Hoofdstuk 27 vertelt zijn kant van het verhaal) raast om de leveringen te versnellen. Het hijgen na de wedloop is het lichaam dat zijn zuurstofrekening vereffent.