Een neuron is een cel die gespecialiseerd is in signalering: een cellichaam (soma) met de kern, vertakte dendrieten die signalen ontvangen, en één enkel axon — een kabel van een tot twintig micrometer dik en tot een meter lang — dat zijn uitvoer naar uiteinden op andere cellen brengt. De menselijke hersenen tellen zo’n neuronen, en elk daarvan vormt ongeveer duizend synapsen. Neuronen zijn in de minderheid tegenover de glia: astrocyten die ze voeden en bufferen, microglia die over ze waken, en de cellen die axonen omwikkelen met myeline — tientallen windingen van hun eigen membraan, vrijwel zonder cytoplasma, die een isolerende schede vormen die ongeveer elke millimeter onderbroken wordt bij de knopen van Ranvier. Een zenuw is een bundel van duizenden axonen, sensorische en motorische, die samen in bindweefsel lopen. Neuronen delen zich bij de volwassene niet (op enkele uitzonderingen na), en een axon dat van zijn cellichaam wordt afgesneden, sterft af; een neuron is een cel die een leven lang mee moet.