Een niet-coderend RNA (ncRNA) is een transcript dat als RNA werkt en niet als matrijs voor een eiwit. Behalve de ribosomale en transfer-RNA’s van de translatie en de kleine nucleaire RNA’s (snRNA’s) van het spliceosoom bevat een eukaryote cel: microRNA’s (miRNA’s), nucleotiden, geknipt uit haarspelden in de eigen transcripten van de cel en sturend bij de onderdrukking van deels complementaire boodschappers; kleine interfererende RNA’s (siRNA’s), even lang, geknipt uit lang dubbelstrengs RNA en sturend bij de knip van volmaakt passende doelwitten; Piwi-interagerende RNA’s (piRNA’s), nucleotiden, werkzaam in de kiembaan tegen transposons; kleine nucleolaire RNA’s die de modificatie van rRNA sturen; en lange niet-coderende RNA’s (lncRNA’s), transcripten langer dan zonder open leesraam van betekenis, waarvan Xist uit Hoofdstuk 1 het best begrepen is. Eiwitcoderende exons beslaan ongeveer van het menselijk genoom; een groot deel van de rest wordt ooit in een of andere cel afgeschreven, maar hoeveel van die transcriptie functioneel is, is een open vraag.
Voorbeelden
Voorbeeld 2.6 (Een viervoudige onderdrukking)
Een boodschapper met een natuurlijke halveringstijd van (), afgeschreven met moleculen per minuut, staat op kopieën per cel en heeft nodig om na een verandering van zijn promotor halverwege een nieuw niveau te komen. Een microRNA dat zijn afbraaksnelheid verdrievoudigt () brengt hem op kopieën en snijdt de halveringstijd terug tot . Dezelfde getallen, achterstevoren gelezen, laten zien waarom uitschakeling van een miRNA vaak milde fenotypen geeft: een viervoudige verandering in een boodschapper die stroomafwaarts zelf gebufferd is kan het organisme bijna normaal laten, en het effect komt onder stress of in de timing naar voren.