De puberteit is het stadium waarin het lichaam van een kind dat van een volwassene wordt — vooral van een volwassene in de zin van Hoofdstuk 54: de voortplantingsorganen rijpen en beginnen gameten te maken, en het lichaam neemt zijn volwassen vorm aan. Het is de biologische kern van de adolescentie (Definitie 15.1).
Voorbeelden
Voorbeeld 56.5 (Eén signaal, veel bouwplaatsen)
Het bloed draagt een hormoon overal tegelijk naartoe — en daarom is de puberteit een gecoördineerde verbouwing: stem, schouders en beharing volgen dezelfde boodschapper, op één schema, hoewel de bouwplaatsen een half lichaam uit elkaar liggen. Er loopt geen zenuwbedrading van een stembandenkast naar een baard; de omroep van de bloedbaan doet dat werk (Hoofdstuk 61 maakt er een eigen hoofdstuk van).
Voorbeeld 56.8 (Vragen hebben adressen)
De puberteit roept vragen op — over timing, over lichamen, over gevoelens — en die hebben behoorlijke adressen: schoolverpleegkundigen en artsen beantwoorden ze dagelijks, vertrouwelijk en zonder verbazing; volwassenen die je vertrouwt hebben het allemaal meegemaakt; en de hoofdstukken van dit boek zijn gemaakt om herlezen te worden. Wat geen vertrouwen verdient: de verhalen op het schoolplein en de slechtste hoeken van het internet, die juist op de onzekerheden van deze leeftijd handelen.