Spierweefsel bestaat uit langgerekte cellen volgepakt met samentrekkende eiwitfilamenten (actine en myosine). Er zijn drie typen: skeletspier, met lange meerkernige vezels die dwarsstreping vertonen, aan het skelet vastgehecht en willekeurig aanstuurbaar; hartspier, met vertakte dwarsgestreepte cellen die kop aan staart verbonden zijn door verbindingen die de slag van cel naar cel doorgeven, en die op een eigen ritme samentrekt; gladde spier, met spoelvormige ongestreepte cellen in de wanden van holle organen (darm, bloedvaten, baarmoeder), die traag en onwillekeurig samentrekt. Het mechanisme van de samentrekking komt aan bod in het deel van jaar 2.
Biologie · Begrippenlijst