Veel planten kunnen ook nieuwe planten maken rechtstreeks uit een stuk van zichzelf — geen sporen, geen zaden, maar één ouder. Dat is vegetatieve voortplanting. De nieuwe plant is een levende voortzetting van de oude, en lijkt er precies op.
Voorbeelden
Voorbeeld 24.6 (De uitlopers van de aardbei)
Een aardbeienplant stuurt lange dunne horizontale stengels — uitlopers — over de grond. Waar een uitloper de grond raakt, wortelt hij, krijgt hij blaadjes en wordt hij een volledige nieuwe aardbeienplant; de uitloper verdort daarna en het kind staat vrij. Eén plant wordt een heel bed, zonder dat er één zaadje gezaaid is.
Voorbeeld 24.7 (Bollen en knollen)
De bol van de tulp en de knol van de aardappel zijn ondergrondse voorraadkamers — én startpakketten. In de grond gelaten splitst een bol zich in dochterbollen, elk een toekomstige tulp; elk “oog” van een uitlopende aardappel kan tot een hele nieuwe plant uitgroeien. Tuinders poten aardappelen, geen aardappelzaden.