Biologie basisschool en onderbouw · Grades 1–9
16Bloemen, vruchten en zaden
In april staat de kersenboom wit van de bloesem; in juni hangt hij vol kersen. Waar zijn de bloemen gebleven — en waar komen de vruchten vandaan? Het antwoord is een van de mooiste veranderingen in de levende wereld: de bloem verdwijnt niet, ze wordt de vrucht.
16.1 In een bloem kijken
Definitie 16.1 (De delen van een bloem)
Een bloem is het deel van de plant dat de zaden zal maken. Van buiten naar binnen:
Voorbeeld 16.2 (Een tulp ontleden)
Open voorzichtig een verwelkende tulp, kroonblad voor kroonblad. Binnenin staan de meeldraden — veeg er een langs je vinger en hij laat geel stuifmeelstof achter — en in het midden de dikke groene stamper. Snijd de stamper dwars door (meswerk voor een volwassene) en daar zijn ze: rijen piepkleine bleke toekomstige zaden.
16.2 Van bloem tot vrucht
Propositie 16.3 (Bestuiving, dan verandering)
Om de verandering te laten beginnen moet stuifmeel de stamper bereiken — die stap heet bestuiving. Bijen en andere insecten doen het meeste vervoerwerk, onder het stuifmeel terwijl ze van bloem naar bloem drinken; de wind doet ook een deel. Na de bestuiving:
- verwelken de kroonbladen en de meeldraden, hun werk gedaan, en vallen ze af;
- zwelt de stamper op en wordt hij de vrucht;
- worden de toekomstige zaden erin de zaden.
Een vrucht is een veranderde stamper, en elke echte vrucht draagt zaden.
Bewijs. Op dit niveau zonder bewijs aangenomen. ∎
Voorbeeld 16.4 (Eén kers zien ontstaan)
Volg één kersenbloesem. April: witte kroonbladen, zoemende bijen. Mei: de kroonbladen sneeuwen omlaag; waar elke bloem stond, zit een klein groen bolletje — de opzwellende stamper. Juni: het bolletje is rood en zoet geworden — een kers, met de pit (haar zaad) erin. De bloem is niet gevallen; alleen haar kroonbladen.
Opmerking 16.5 (Geen bijen, geen kersen)
Kersentelers verwelkomen de kasten van imkers in hun boomgaard — zonder insectenbezoek zou de meeste bloesem onbestoven blijven en afvallen zonder ooit vrucht te worden. De bij besteelt de bloem niet; bloem en bij voeden elkaar: nectar voor de bij, stuifmeelbezorging voor de plant.
16.3 Vrucht of geen vrucht?
Methode 16.6 (De zaadtest)
Om te beslissen of iets van de groenteboer een vrucht is in de zin van de bioloog:
Voorbeeld 16.7 (Verrassingen bij de groenteboer)
De zaadtest levert verrassingen op. Tomaat: vol zaden — een vrucht, wat de saladeschaal er ook van zegt. Komkommer en courgette: zaden — vruchten. Sperzieboonpeul: zaden op een rij — een vrucht. Wortel: geen zaden — een wortel (Oefening 3.10 raadde het al). Sla: geen zaden — bladeren. Aardappel: geen zaden — een opgezwollen ondergrondse stengel.
Opmerking 16.8 (Keukenwoorden, wetenschapswoorden)
In de keuken betekent “fruit” zoet en “groente” hartig — handig om het toetje te plannen, nutteloos voor de biologie. Het woord van de bioloog volgt de zaadtest. Allebei de woordenschatten zijn prima, zolang je weet welke je spreekt.
16.4 Oefeningen
Oefening 16.1 ★
Noem de delen van een bloem van buiten naar binnen, met de taak van elk deel.
Oplossing
Oplossing van Oefening 16.1.
Kroonbladen (gekleurd en geurend, ze lokken insecten); meeldraden (dunne stengeltjes die stuifmeel dragen); de stamper in het midden (het flesje met de toekomstige zaden).
Oefening 16.2 ★
Wat is stuifmeel, en waar zit het? Wat is bestuiving?
Oplossing
Oplossing van Oefening 16.2.
Stuifmeel is het fijne gele poeder dat de meeldraden dragen. Bestuiving is stuifmeel dat de stamper bereikt — meestal bezorgd door bezoekende insecten, soms door de wind.
Oefening 16.3 ★
Wat wordt er na de bestuiving van: (a) de kroonbladen? (b) de stamper? (c) de toekomstige zaden erin?
Oefening 16.4 ★
Vertel het verhaal van één kers na, van witte bloesem tot rode vrucht, in drie gedateerde stappen.
Oplossing
Oplossing van Oefening 16.4.
April: witte bloesem, bijen op bezoek — bestuiving. Mei: de kroonbladen vallen; de stamper van elke bestoven bloem zwelt op tot een klein groen bolletje. Juni: het bolletje is uitgegroeid tot een rode, zoete kers met de pit — het zaad — erin.
Oefening 16.5 ★
Waarom verwelkomen kersentelers bijenkasten in de boomgaard?
Oefening 16.6 ★
Noem de zaadtest, en pas hem toe op de tomaat en de wortel.
Oefening 16.7 ★
Vrucht of niet, volgens de zaadtest: de komkommer, de sla, de sperzieboonpeul, de aardappel?
Oefening 16.8 ★
Probeer het: snijd thuis drie dingen uit de keuken open en laat de zaadtest erop los. Welke verraste je?
Oplossing
Oplossing van Oefening 16.8.
Open antwoord. De gebruikelijke verrassingen: tomaat, komkommer en boonpeul die vruchten blijken te zijn; de aardbei die haar piepkleine zaadjes aan de buitenkant draagt.
Oefening 16.9 ★★
Een late nachtvorst doodt in april alle bloesem aan de pruimenboom. Wat wordt de oogst in juni, en waarom? Gebruik Propositie 16.3.
Oefening 16.10 ★★
“De appel groeit zodat wij iets lekkers te eten hebben.” Waar dient de appel echt voor, vanuit het oogpunt van de appelboom? Wat ligt er in zijn klokhuis, en wat zou elk daarvan kunnen worden? (Denk aan Hoofdstuk 9.)
Oplossing
Oplossing van Oefening 16.10.
Voor de boom is de appel een manier om zaden te maken en te beschermen. In zijn klokhuis liggen de pitjes — zaden — en elk pitje zou, geplant, kunnen ontkiemen tot een nieuwe appelboom. Dat wij de verpakking lekker vinden is ons geluk (en voor de boom een manier om zijn zaden ver van huis te laten vervoeren).