Een molecuul is een groep atomen die stevig aan elkaar vastzitten. Een molecuul is het kleinste stukje van een stof dat nog die stof is: een watermolecuul is de kleinst mogelijke hoeveelheid water.
Voorbeelden
Voorbeeld 11.7 (Zeven moleculen)
- waterstof: twee waterstofatomen;
- zuurstof, dat we inademen: twee zuurstofatomen;
- stikstof, vier vijfde van de lucht: twee stikstofatomen;
- water: twee waterstofatomen en één zuurstofatoom;
- koolstofdioxide, dat we uitademen: één koolstofatoom en twee zuurstofatomen;
- methaan, het hoofdbestanddeel van het aardgas dat in gasfornuizen verbrandt: één koolstofatoom en vier waterstofatomen;
- distikstofoxide, een verdovend gas (lachgas): twee stikstofatomen en één zuurstofatoom.
Voorbeeld 11.10 (De zeven formules)
De moleculen van Voorbeeld 11.7 hebben deze formules:
Voorbeeld 11.13 (Methaan in de keuken)
Het aardgas van een gasfornuis is grotendeels methaan, . Elk van zijn moleculen is één koolstofatoom met vier waterstofatomen eromheen. Het gas is onzichtbaar en reukloos: de “gaslucht” is een stof die er met opzet aan wordt toegevoegd, zodat je een lek opmerkt.