Een tiental is een bundel van tien eenheden. Het getal betekent tientallen en eenheden:
Het linkercijfer telt de bundels, het rechtercijfer de losse eenheden.
Voorbeelden
Voorbeeld 4.2 (De getallen lezen)
is twee tientallen (twintig), drie tientallen (dertig) … tot (negentig) en (honderd: tien tientallen!). Daartussenin: lees je “zevenenveertig” — in het Nederlands noem je eerst de eenheden en dan de tientallen, precies omgekeerd aan de schrijfwijze.
Voorbeeld 4.3 (Dezelfde cijfers, andere getallen)
en gebruiken dezelfde cijfers, maar zijn heel verschillend: is tientallen en eenheden; is tientallen en eenheden — veel groter! De plaats van een cijfer bepaalt wat het telt.