Wiskunde basisschool en onderbouw · Grades 1–9
4Getallen tot 100
Een grote stapel één voor één tellen duurt eindeloos. De grote truc: bundel de voorwerpen in pakjes van tien en tel de pakjes. Zo zijn de getallen tot opgebouwd — en daarom schrijf je ze met twee cijfers.
4.1 Bundels van tien
Definitie 4.1 (Tientallen en eenheden)
Een tiental is een bundel van tien eenheden. Het getal betekent tientallen en eenheden:
Het linkercijfer telt de bundels, het rechtercijfer de losse eenheden.
Voorbeeld 4.2 (De getallen lezen)
is twee tientallen (twintig), drie tientallen (dertig) … tot (negentig) en (honderd: tien tientallen!). Daartussenin: lees je “zevenenveertig” — in het Nederlands noem je eerst de eenheden en dan de tientallen, precies omgekeerd aan de schrijfwijze.
Voorbeeld 4.3 (Dezelfde cijfers, andere getallen)
en gebruiken dezelfde cijfers, maar zijn heel verschillend: is tientallen en eenheden; is tientallen en eenheden — veel groter! De plaats van een cijfer bepaalt wat het telt.
4.2 Het honderdveld
Methode 4.4 (Bewegen op het veld)
- / : één stap naar rechts / naar links;
- / : één stap naar beneden / naar boven — alleen het cijfer van de tientallen verandert: ;
- tellen met tientallen: — volg de laatste kolom van het veld recht naar beneden.
Voorbeeld 4.5 (Tellen met 2 en met 5)
Met : (de even getallen). Met : — ze eindigen op of en vormen een mooi patroon op het veld. Zo tellen bereidt het vermenigvuldigen voor (Hoofdstuk 10).
4.3 Grotere getallen vergelijken
Methode 4.6 (Vergelijken met tientallen)
Wie meer tientallen heeft, wint: , want tientallen zijn meer dan tientallen — ook al is meer dan ! Alleen als de tientallen gelijk zijn, beslissen de eenheden: .
Voorbeeld 4.7
Zet , , op volgorde: eerst de tientallen (, , ):
4.4 Oefeningen
Oefening 4.1 ★
Hoeveel tientallen en eenheden zitten er in: ; ; ; ?
Oplossing
Oplossing van Oefening 4.1.
: tientallen, eenheden. : tientallen, eenheden. : tientallen, eenheden. : tientallen, eenheden.
Oefening 4.2 ★
Schrijf het getal: tientallen en eenheden; tientallen; tiental en eenheden; tientallen.
Oplossing
Oplossing van Oefening 4.2.
; ; ; .
Oefening 4.3 ★
Schrijf in cijfers: drieënzestig; veertig; vijfentachtig; honderd.
Oplossing
Oplossing van Oefening 4.3.
; ; ; .
Oefening 4.4 ★
Reken uit door je op het honderdveld te verplaatsen: ; ; ; .
Oplossing
Oplossing van Oefening 4.4.
; ; ; .
Oefening 4.5 ★
Tel verder: . . .
Oplossing
Oplossing van Oefening 4.5.
. . .
Oefening 4.6 ★
Neem over en vul in met of :
Oplossing
Oplossing van Oefening 4.6.
; ; ; .
Oefening 4.7 ★
Zet op volgorde, van klein naar groot: ; ; ; ; .
Oplossing
Oplossing van Oefening 4.7.
.
Oefening 4.8 ★
Een tuinier bundelt bloemen in bosjes van tien. Hoeveel volle bosjes krijgt hij, en hoeveel losse bloemen blijven over?
Oplossing
Oplossing van Oefening 4.8.
is tientallen en eenheden: volle bosjes en losse bloemen.
Oefening 4.9 ★★
Begin op het honderdveld bij ; ga twee stappen naar beneden en één stap naar links. Waar kom je uit? Welke berekening heb je zo gemaakt?
Oplossing
Oplossing van Oefening 4.9.
Van zijn twee stappen naar beneden () en één stap naar links (). Je komt uit op . De berekening is , dus .