Een gebeurtenis is een puntvormig voorval: een bepaalde plaats én een bepaald ogenblik — een vonk, een tik van een detector, een verval. Elk inertiaalstelsel kent een gebeurtenis de coördinaten toe met meetlatten die in het stelsel rusten en gelijkgezette klokken die erover verdeeld staan. Twee gebeurtenissen heten gelijktijdig in een stelsel wanneer de klokken van dat stelsel er dezelfde aan toekennen — en het eerste slachtoffer van de postulaten is dat dit begrip van het stelsel afhangt.
Voorbeelden
Voorbeeld 4.4 (De trein en de twee bliksemschichten)
De bliksem slaat in aan beide uiteinden van een snelle trein en laat sporen na op trein en spoor. Voor de waarneemster op de grond, midden tussen de sporen, komen de twee flitsen samen aan: voor haar waren de inslagen gelijktijdig. De passagier die op het midden van de trein zit, beweegt echter naar de ene flits toe en van de andere weg; omdat ook in zijn stelsel het licht met loopt, bereikt de voorste flits hem eerder — en omdat hij even ver van de twee sporen op de trein zit, moet hij besluiten dat de voorste inslag eerder plaatsvond. Geen van beiden heeft ongelijk: de gelijktijdigheid van gescheiden gebeurtenissen is geen feit over de wereld maar over het stelsel. Elke relativistische “paradox” lost hier op.
Voorbeeld 4.16 (De reizende tweelingzus)
Eén van een tweeling vliegt naar een ster op lichtjaar met () en keert terug. Tijd op aarde: . De eigentijd van de reizigster: — acht jaar jonger, en geen paradox: de situaties van de twee zijn niet symmetrisch, want de ene wereldlijn is recht (overal inertiaal) en de andere heeft een knik bij het keerpunt. Tussen twee vaste gebeurtenissen is de rechte wereldlijn die met de langste eigentijd — in de meetkunde van de ruimtetijd leeft de omweg korter. Het effect wordt routineus gemeten: atoomklokken die de wereld rondvliegen wijken van hun thuisgebleven zusters af met precies het voorspelde aantal nanoseconden (Probleem 4.1).