Wanneer een smalle bundel zonlicht een glazen prisma doorkruist, komt hij er uitgespreid uit als een doorlopende band van kleuren, van rood tot violet. Die band is het spectrum van het licht. Licht dat alle zichtbare kleuren bevat, zoals zonlicht of het licht van een gewone gloeilamp, heet wit licht. Licht van één zuivere kleur, dat geen enkel prisma nog verder kan splitsen, is monochromatisch (een laserbundel bijvoorbeeld); een mengsel van meerdere kleuren is polychromatisch. Een instrument dat de ontleding uitvoert en de samenstelling van een licht afleest, is een spectroscoop.
Voorbeelden
Voorbeeld 2.17 (Een kolf met natriumdamp)
Wit licht doorkruist een kolf met koude natriumdamp. Het doorgelaten spectrum is een volledige regenboog met één donkere lijn op — precies waar een natriumlamp het felst schijnt. Kijk je in een donkere kamer van opzij naar de kolf, dan zie je het gestolen licht weer uitgezonden worden: een zwakke geeloranje glans bij diezelfde golflengte.
Voorbeeld 2.20 (Het recept van de Zon)
Het zonnespectrum draagt duizenden donkere lijnen, in 1814 door Fraunhofer in kaart gebracht. Tot de sterkste behoren , , en — de volledige vingerafdruk van waterstof — samen met de natriumlijn op en een calciumpaar op en . De atmosfeer van de Zon bevat vooral waterstof, plus sporen van elementen die we uit het aardse gesteente kennen. Moderne metingen scherpen de kop aan: de Zon bestaat naar massa voor ruwweg driekwart uit waterstof.