Elke monochromatische straling wordt gekenmerkt door één getal, haar golflengte , gemeten in nanometer (). De golflengte is de identiteitskaart van de straling: geef en je hebt alles gezegd wat er over de zuivere kleur te zeggen valt. Het oog reageert op golflengten tussen ongeveer (violet) en (rood) — het zichtbare spectrum. Voorbij beide uiteinden loopt de straling door, voor ons onzichtbaar: ultraviolet onder , infrarood boven . Wat de golflengte eigenlijk meet — de lengte van één rimpeling van een lichtgolf — komt aan bod in Hoofdstuk 8; in dit hoofdstuk telt het getal zelf.
Voorbeelden
Voorbeeld 2.4 (Golflengten lezen)
Een groene laserpen zendt uit op : binnen het zichtbare gebied, in het groen. Een kiemdodende kwiklamp zendt uit op : ultraviolet, onzichtbaar (en juist doordat het onzichtbaar is, gevaarlijk voor het oog). De diode van een televisieafstandsbediening zendt uit op : infrarood — richt hem op een telefooncamera, waarvan de sensor iets voorbij ziet, en de onzichtbare flitsen verschijnen op het scherm.
Voorbeeld 2.17 (Een kolf met natriumdamp)
Wit licht doorkruist een kolf met koude natriumdamp. Het doorgelaten spectrum is een volledige regenboog met één donkere lijn op — precies waar een natriumlamp het felst schijnt. Kijk je in een donkere kamer van opzij naar de kolf, dan zie je het gestolen licht weer uitgezonden worden: een zwakke geeloranje glans bij diezelfde golflengte.