De twee bijzondere uiteinden van een magneet — waar zijn aantrekking het sterkst is en waar de paperclips samenklitten — zijn zijn polen. Ze heten de noordpool (vaak rood geverfd, gemerkt met N) en de zuidpool (gemerkt met Z). Elke magneet heeft ze allebei: van elk één, altijd.
Voorbeelden
Voorbeeld 25.3 (Oude proeven herlezen)
Toen je twee magneten aan elkaar klikten, stond een N tegenover een Z. Toen ze veerkrachtig weigerden, stond N tegenover N (of Z tegenover Z). En de paperclips klitten altijd aan de uiteinden samen omdat de polen de plek zijn waar de kracht van een magneet woont — zijn midden is de rust daartussen.
Voorbeeld 25.4 (De grootste magneet van allemaal)
Hang een staafmagneet aan een draadje zodat hij vrij kan draaien, wacht tot hij tot rust komt — en er gebeurt iets prachtigs: hij komt altijd dezelfde kant op tot stilstand, met de ene pool naar het verre noorden van de wereld en de andere naar het verre zuiden. Er moet een reusachtige, onzichtbare magneet zijn die zijn polen in het gelid trekt. Die reus is de Aarde zelf: onze hele planeet is een magneet, met haar magnetische polen vlak bij de top en de onderkant van de wereldbol.
Voorbeeld 25.7 (Maak er zelf een)
Strijk twintig keer met één pool van een magneet over een stalen naainaald, altijd dezelfde kant op, en til de magneet tussen de streken door van de naald af: de naald wordt zelf een kleine magneet. Leg haar voorzichtig op een plakje kurk dat in een kom water drijft — en kijk hoe de kurk langzaam draait tot de naald noord–zuid wijst. Je hebt het kompas van de zeelieden van duizend jaar geleden gebouwd.