Toonhoogte is de waarneming van de frequentie: hoe hoger , hoe hoger de noot; de kamertoon a is , en verdubbelen tilt de noot een octaaf hoger. Luidheid is de waarneming van de amplitude: hoe sterker de drukwisseling, hoe luider; versterken verandert de luidheid, niet de toonhoogte.
Voorbeelden
Voorbeeld 21.15 (Waarom je de beller herkent)
De a van een fluit is bijna een zuivere toon; een viool die dezelfde strijkt voegt er sterke boventonen op aan toe. Dezelfde toonhoogte en dezelfde luidheid, en toch verwart niemand de twee: ook een stem is een spectrum dat je uit je hoofd kent.