Een vloeistof is stof die stroomt: ze heeft geen eigen vorm en neemt de vorm aan van de houder waarin ze zit. Maar een vloeistof houdt haar hoeveelheid: giet een vol glas melk in een kom en het is nog steeds dezelfde hoeveelheid melk — geen druppel meer of minder, alleen een nieuwe vorm.
Voorbeelden
Voorbeeld 14.5 (Het waterpas aan het werk)
Bouwvakkers gebruiken deze wet elke dag: hun waterpas is een klein venstertje vloeistof met één luchtbel; zit de bel tussen haar streepjes, dan ligt de plank net zo waterpas als de vloeistof erin. En kijk bij het ontbijt naar het sap in een gekantelde pak: hoe je het ook kantelt, het oppervlak binnenin blijft vlak en waterpas — tot het de schenktuit vindt.
Voorbeeld 14.2 (Een vaste stof van korrels)
Zand lijkt de regel te breken: uit een emmer gegoten neemt het de vorm van zijn hoopje aan, bijna als een vloeistof. Maar kijk goed: zand is een menigte piepkleine vaste korrels, en elke korrel houdt zijn vorm volmaakt. Bloem, suiker en rijst halen dezelfde truc uit — menigtes kleine vaste stoffen die samen stromen terwijl elk lid vast blijft.