Geïoniseerd calcium in het plasma wordt binnen enkele procenten op gehouden, omdat het de prikkelbaarheid van elke zenuw en elke spier bepaalt: te laag en zij vuren spontaan (tetanie), te hoog en zij worden traag. De vier bijschildklieren voelen het met een receptor aan het oppervlak en scheiden bijschildklierhormoon (PTH) uit langs een steile omgekeerde sigmoïde: PTH mobiliseert calcium uit het bot, laat de nier het terugnemen en fosfaat uitscheiden, en activeert vitamine D — in de huid door ultraviolet licht gemaakt of gegeten, gehydroxyleerd in de lever en daarna in de nier tot calcitriol — dat de darm calcium doet opnemen. Het bot is het reservoir, een kilogram calcium, dat voortdurend door osteoclasten en osteoblasten wordt verbouwd onder PTH, calcitriol, oestrogeen en belasting. Gebrek aan vitamine D geeft rachitis bij kinderen en zachte botten bij volwassenen; de daling van het oestrogeen bij de overgang kantelt de verbouwing naar afbraak en geeft osteoporose; een adenoom van een bijschildklier verhoogt het calcium, lost het bot op en vormt nierstenen — “botten, stenen, kreunen en klagen.”
Biologie · Begrippenlijst