Een skeletspiervezel is een cilinder van doorsnede en tot tientallen centimeters lang, begrensd door het sarcolemma, met honderden kernen er vlak onder. Het inwendige is gevuld met evenwijdige myofibrillen, elk een keten van sarcomeren van lang: tussen twee Z-schijven grijpen dunne filamenten van actine (met tropomyosine en troponine), aan de Z-schijven verankerd, in dikke filamenten van myosine die in het midden worden vastgehouden, en het overlappingspatroon geeft de dwarsstrepen. Rond elke myofibril slaat een kantwerk van sarcoplasmatisch reticulum calcium op; transversale tubuli, instulpingen van het sarcolemma, lopen tussen de myofibrillen en voeren het elektrische signaal van het oppervlak naar het inwendige. Mitochondriën vullen de tussenruimten, en het cytoplasma bevat glycogeen, creatinefosfaat en, in rode vezels, myoglobine. De cel is gebouwd voor één ding — op bevel verkorten — en de machinerie van dat bevel is het onderwerp van Hoofdstuk 21.
Voorbeelden
Voorbeeld 12.8 (Groei en herstel)
Een spier groeit bij de volwassene niet door vezels toe te voegen maar door ze te vergroten: training voegt myofibrillen aan elke vezel toe, en satellietcellen versmelten ermee om de extra kernen te leveren die een groter cytoplasma nodig heeft. Na een verwonding delen dezelfde cellen zich, brengen ze MyoD opnieuw tot expressie, versmelten ze en herbouwen ze het beschadigde segment binnen enkele weken — het embryonale programma, bij de volwassene opnieuw afgespeeld. Bij spierdystrofie missen de vezels dystrofine, een eiwit dat de myofibrillen aan het membraan vastmaakt, en scheuren ze tijdens de samentrekking; de satellietcellen herstellen ze steeds opnieuw, tot de voorraad na jaren is uitgeput en bindweefsel de plaats van de spier inneemt.